Frederik Terlouw,

2 mei 1951 te Putten.

  

Putten wordt aan het einde van de tweede wereldoorlog platgebrand als repressaille op een mislukte aanslag op een duitse personenauto, waarbij een viertal officieren gewond raakt.

Alle mannen uit Putten worden samengedreven in de grote kerk. Nadien worden ze afgevoerd naar een concentratiekamp bij Neuengamme in Duitsland. Slechts een tiental mannen keert terug.

Dit is de reden dat beide buren van Erik weduwvrouw zijn. Op weg naar het dorp zijn veel huizen nog niet weer opbouwd. Onkruid woekert over de ruïnes.

 

Moeder is huisvrouw, vader is schoolmeester aan de openbare school.

In de vrije tijd bestudeert vader de flora. Hij tekent en schildert plantjes en landschappen en Erik neemt deze gewoonte al snel over.

 

Na de lagere school besluiten zijn ouders hem naar de Rijks- H.B.S. in Amersfoort te sturen.

Erik heeft een tien voor tekenen, maar bij de overige vakken blijft het succes achterwege.

Na enkele jaren dégradeert Erik naar de HAVO.

Het spijbelen gaat hem goed af! De verworven vrije tijd vult hij met het maken van tekeningetjes in zijn kladblokje. Hij tekent zowel in de stad als op het platte land.

Eén maal in de week mag hij ’s avonds schilderen bij een kunstenaar aan huis.

 

Als hij in 1970 wordt toegelaten op de Academie voor Beeldende Kunsten in Utrecht, gaat hij pas echt aan de slag. Op zijn gehuurde kamer zit hij iedere avond te tekenen en te schilderen. Hij gaat niet uit, hij gaat nooit stappen.

Hij is altijd aanwezig op de academie en niemand neemt hem kwalijk dat hij zijn eigen lesrooster samenstelt: hij tekent en boetseert het liefst model en steeds vaker zie je hem in een houten bijgebouwtje, een dépendance, waar hij kan etsen.

Na een jaar raden zijn docenten hem aan een academie te zoeken waar de vrije schilderskunst wordt gedoceerd. Vol goede moed trekt Erik dan maar naar Antwerpen.

 

Hij schrijft zich in op de “Academie voor Schoone Kunsten,” afdeling: vrije schilderkunst, en huurt een appartement in een straat in het verlengde van de academie. De straat ligt in het Schipperskwartier, de hoerenwijk van het gewone volk. Hij sluit niet alleen vrienschap met de boven- en onderburen, maar ook met prostituees die zich etaleren achter de ramen in de straat tussen zijn appartement en het academiegebouw.

Op de academie valt hij op door zijn talent. Er wordt naar hem geluisterd. Men neemt Erik sérieus.

Toch struikelt hij over het autoritaire regiem van de academieleiding. Daarom besluit hij te vertrekken. Hij verlaat Antwerpen en trekt naar het zuiden.

 

Hij komt in Montpellier uit, logeert op verschillende adressen en zoekt tussendoor een plek om te wonen. Hij vindt deze niet en hij vertrekt.

Erik gaat naar Genève. Hij heeft er een correspondentievriendinnetje die hem wel eens heeft uitgenodigd.

Onverwacht staat hij op de stoep bij de ouders van zijn brievenliefje.

Hij schrijft zich in op universiteit, sector “l Ecole Des Beaux Arts” en voortvarend als hij is, gaat hij opnieuw op zoek naar een onderkomen. In deze periode slaapt hij in een open veld, net buiten de stad. Hij merkt al snel dat het leven in Genève een beetje duur is!    

Erik vertrekt naar Annecy in Frankrijk, net over de grens met Zwitserland. Hij gaat wonen in een tehuis voor jonge werkende mensen. Hij heeft een kamertje van pakweg twee bij drie meter. Te klein voor een atelier, maar hij kan altijd nog tekenen. Koken mag er niet, maar “stiekum mag alles.” Dagelijks warmt hij op een campingbrandertje een blik “quatre légumes” en hij bakt zijn twee eieren als vervanging voor vlees. Overdag gaat hij tekenen en neemt een stapeltje boterhammen en drinken mee. Iedere dag zwerft hij uit om uren te kunnen werken.

Met het openbaar vervoer is het onmogelijk de universiteit in Genève te bereiken. Ook liften is voor mannen in Frankrijk een verloren zaak. Na een paar bezoekjes gaat Erik niet meer terug naar de academie in Genève.

Als “de sinaasappel is uitgeperst” gaat hij terug naar Antwerpen en terug naar zijn oude vrienden.

Hij schildert er nog één jaar lang héél serieus.

In zijn drang om de “beschaafde” wereld van ambitie, concurentie en rivaliteit de rug toe te keren, houdt hij het na dit jaar weer eens voor gezien en vertrekt.

 

Na vele omzwervingen belandt hij in Godlinze in de late zomer van 1974.

Het koren is goudgeel en hij noemt Groningen “het China van Europa” en het ligt op”het randje van de beschaafde wereld.” Erik verstopt zich in het land van Ot en Sien.

Hoewel hij nooit heeft gemetseld, gaat hij zijn oude huisje volledig herstellen en verbeteren.

Hij komt in de Beeldende Kunstenaars Regeling, verdient geld en het gaat hem prima af! Hij schildert en etst alsof het een aard heeft. Hij heeft wat vrienden en vriendinnen. Hij geniet van het leven in en rond zijn dorp.

Maar.... de B.K.R. loopt ten einde en in 1985 wordt hij uitgenodigd te solliciteren als assistent restaurator van schilderingen. Hij gaat helpen gewelfschilderingen van de kerk in zijn eigen dorp te restaureren. Dankzij ziekte van zijn werkgever, Lammert Muller, zien we Erik in 2001 de Statenzaal in het Drents Museum restaureren. Nadien werkt hij in het restauratieatelier van Muller in Zuidhorn. Hij weet een grote achterstand van opdrachtgevers terug te brengen tot een aanvaardbaar niveau.

Het contact tussen Lammert Muller en Erik is tot aan vandaag blijven bestaan.

Eigenlijk wil Erik vanaf nu niet meer schilderen. Hij heeft geen plaats in huis om het werk veilig op te slaan en de muren hangen vol.
Als men hem met regelmaat hierop aanspreekt, gaat zijn geweten knagen.
Zo zien we Erik de penselen weer ter hand nemen: Erik schildert weer.